Geschiedenis - Enschede

De naam komt waarschijnlijk van de verbastering 'Aneschede'; wat 'aan de grens' zou betekenen.

Enschede ontstond in de vroege Middeleeuwen als een agrarische nederzetting rond een klein kasteel en dankt in hoofdzaak zijn bestaan aan de grote ontwikkeling van de textielindustrie. Gelegen aan de voet van een vruchtbare stuwwal, en aan de route van Deventer naar Münster en Osnabrück ontwikkelde het dorp zich gestaag. In 1325 kreeg Enschede stadsrechten van Jan van Diest, bisschop van Utrecht.

De zandgrond van Twente is van nature vrij onvruchtbaar, om toch een redelijke oogst binnen te halen, moesten de boeren hun akkers voortduren bemesten om te voorkomen dat de grond uitgeput zou raken. De Twentse keuterboertjes hadden echter niet genoeg vee om aan een redelijke hoeveelheid mest te komen, daarom werden er behalve uitwerpsels ook andere organische materialen zoals heideplaggen op de akkers gestrooid. Ongeveer tweeduizend jaar lang hebben de boeren zo hun land bemest en daardoor ook opgehoogd met ongeveer een millimeter per jaar. Nog steeds zijn overal in het Twentse landschap de typische bolle "essen" te zien; vaak wel enkele meters hoger dan de omgeving.

Als aanvulling van het schamele inkomen begonnen veel boeren linnen te weven. Deze doeken werden verkocht aan rondreizende marskramers - vaak afkomstig uit Westfalen - ook wel Töddn genoemd (Töddn is Plattduuts voor 'sjouwen', 'zeulen'). Enkele namen van vroegere Töddn leidden tot zeer grote winkelketens: Vroom, Peek, Kloppenburg, Dreesmann, Brenningmeyer (C&A).

Op 7 mei 1862 ging de stad praktisch geheel in vlammen op. Er bleef slechts één gebouw over: Het Elderinkshuis aan De Klomp 35; een herberg gebouwd in 1783. Voor een snelle wederopbouw handhaafde men gemakshalve het middeleeuwse stratenplan.

De economische wereldcrisis zorgde ervoor dat het aantal werknemers in de textiel tussen 1929 en 1933 van 42.000 naar 26.000 daalde. Ongeveer 45% van de weefgetouwen stond buiten werking en eenderde van de Twentse beroepsbevolking was werkloos.

In de Tweede Wereldoorlog werd de stad zwaar getroffen. Over een verwoest deel van de binnenstad werd in de jaren vijftig de brede Boulevard 1945 aangelegd. Het duurde echter nog tot 1968 voordat alle terreinen langs deze weg waren volgebouwd. Alles wat nog niet was weggebombardeerd werd afgebroken. In het Volkspark staat de beeldengroep van Mari Andriessen dat Enschede tot oorlogsmonument dient.

In de jaren 1960/1970 ging de de textielindustrie ten gronde.

In 1961 werd de Universiteit Twente gesticht. In 1964 kreeg Enschede (Drienerlo) de primeur van de eerste en enige hogeschool met campus: de Technische Hogeschool Twente. Wim T. Schippers is de geestelijke vader van het Torentje van Drienerlo, dat op 26 november 1979 onthuld werd. Met de in het water geplaatste kerktoren wilde Schippers een soort verdronken land van Drienerlo suggereren. Naast het officiele UT-logo is de kerktoren uitgegroeid tot een van de meest typerende kenmerken van de universiteit.

Door de vele werklozen daalde de belastinginkomsten eveneens. In 1980 werd het begrotingsjaar afgesloten met een tekort van 5 miljoen gulden, in 1981 was dit opgelopen tot 20 miljoen. De gemeente werd een artikel 12 gemeente en kwam onder curatele van het rijk.

Enschede ontwikkelde zich in de jaren 1980/1990 tot een van de nationale centra op het gebied van de micro-electronica.

Op 13 mei 2000 trof een vuurwerkramp, veroorzaakt door vuurwerkfabriek S.E. Fireworks, de wijk Roombeek; 22 mensen kwamen daarbij om het leven.

Opties