Geschiedenis - Langeweg

Klik voor meer info:
enige echte site van en voor Langeweg 
 
 
 
Geschiedenis van Langeweg

Voor de eerste aanwijsbare tekenen van leven in het landschap waarin Langeweg heeft kunnen gedijen, moeten we terug naar het jaar 1287. er is dan sprake van een weg vanuit Zevenbergen naar het oosten. Ze is dan pas anderhalve kilometer lang. De turfgraverij vanuit Zevenbergen in oostelijke richting maakte de aanleg van een turfvaart noodzakelijk. In 1358 wordt begonnen met inpoldering van een gebied, dat nu nog luistert naar de naam ?Het Oudland van Zevenbergen?, waarvan de huidige Zuiddijk de zuidzijde is. Langs deze dijk moet op hoger gelegen plaatsen bewoning hebben plaatsgevonden; zo?n 600 meter ten oosten van het huidige dorp Zonzeel gelegen, een dorp waarvan de kerk in 1267 aan de Brabantse kant stond. De St. Elizabethsvloed, beginnende in 1421, deed het van de aardbodem verdwijnen. Ter hoogte van het huidige Langeweg lag toen een vlierbos. Met de ondergang van Zonzeel viel ook de Zuiddijk grotendeels ten prooi aan het water. Vanwege het moerassige karakter van het daarna ontstane landschap vervaagde de grens tussen het graafschap Holland en het Hertogdom Brabant. Bij de uitgifte van gronden voor de moernering en landbouw ontstonden er vervolgens conflicten. Daarom werd in 1474 een grens gegraven in de vorm van een sloot die nu ligt aan de zuidzijde van de Zuiddijk. Die grens werd ?bepaald? en enkele van die palen zijn nog in Langeweg te zien.  St Elizabethsvloed 1421
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Met dank aan het secretariaat van het provinciaal der Kapucijnen te 's Hertogenbosch, voor hun medewerking. Voor meer informatie verwijs ik graag naar : www.kapucijnen.com

 
Informatie klooster Kapucijnen Langeweg
 
Stichting kerk en klooster
 
Vanuit het klooster in Meersel Dreef, dicht bij Breda net over de grens, stonden de paters de katholieken in de Baronie bij in hun geestelijke noden. Op de ommegang die de broeder hield op de dorpen voor het onderhoud van de kloosterlingen, kwam hij ook op het gehucht Slikgat. Door de ongunstige ligging van het plaatsje tussen twee bisdommen, drie parochies en twee gemeenten liet de geestelijke verzorging wel te wensen over. Al sinds 1850 hoopten de bewoners van deze buurt op een eigen kerk.
In 1873 ging de provinciaal van Antwerpen in op hun voorstel namelijk: de paters met hulp en geld steunen bij de bouw van kerk en klooster.
 
Het werd tijd dat de Kapucijnen naar het noorden uitbreiding gingen zoeken. Vanuit Rome werd ook de vestiging van kloosters sterk aanbevolen en na de Jezueten in Oosterhout en de Redemptoristen in Roosendaal mochten de Kapucijnen als derde mannenorde in Slikgat komen. Hiervoor werd de grond aangekocht van ?het land van Vrouwke van de Noord?.
Op 1 mei 1874 begonnen de werkzaamheden, in oktober volgde de inzegening van de noodkerk en de eerste steen voor de nieuwe kerk werd gelegd op 28 oktober 1874 door deken Nijs van Oosterhout.
Pater Danil van Baarle Nassau bleef in Slikgat voor de kerkelijke diensten. Eind mei 1876 ging hij met twee broeders in het klooster wonen, dat toen echter nog niet gereed was.In de zomer van dat jaar, op 26 juli, kwam Mgr. Van Beek de kerk konsakreren. De kerk werd onder het patronaat gesteld van het H. Hart, waaraan ook de orde van de kapucijnen is toegewijd.
Pater Danil werd de eerste gardiaan, er woonden in het begin vier pater en vier broeders. Het klooster was berekend op twintig religieuzen.Vanuit Meersel is de kerk gebouwd en de laatste hand gelegd aan het klooster Het buurtschap Slikgat had groot geestelijk voordeel van de komst van de Kapucijnen.
Enkele bewoners:
       
Bovendien was er grote aandacht voor de franciskaanse godsvruchten zoals de Portiuncula-aflaat en de H. Antonius. Ieder jaar werd het Portiunculafeest groots gevierd en het trok een grote massa mensen, temeer nu de oude bedevaartklanten van Meersel op Slikgat waren aangewezen. De zielzorg door de paters heeft een diepe stempel gedrukt op het kerkdorp. De gelovigen hebben enorme steun gehad aan het woord en voorbeeld van de paters.
De kapucijnen hebben zich ook intensief beziggehouden met het maatschappelijk leven. Zij zetten zich op een breed terrein in voor het welzijn van de bewoners. Het is mede aan hun te danken dat Langweg verbetering van wegen kreeg, een telefoonaansluiting en passende huisvesting voor de mensen. In de arbeidersbeweging heeft het klooster van Langeweg in een bepaald opzicht zelfs de spits afgebeten.
De eerste jaren van de 20e eeuw kenmerkten zich door de vele aktiviteiten op sociaal gebied. Op 1 januari 1903 werd een broederschap van St. Antonius van Padua opgericht, een zuiver godsdienstige vereniging waarvan de leden zich ontplooiden als de eerste aktieve leden van de sociale organisaties. Het omgekeerd gebeurde echter ook. Zo werd er een afdeling opgericht van het Kruisverbond, die drankbestrijding hoog in het vaandel had staan. De gardiaan werd aangewezen als geestelijk adviseur.
 
De drukke apostolische werkzaamheden vroegen veel van de kleine gemeenschap, want zij bestreken zowel de provincie Antwerpen als de Noord-Westhoek van Brabant. Vanwege hun missies, jubilpreken, retraiten, veertig-uren-gebeden en kortere of langere assistenties stond het klooster van Slikgat ook goed bekend in de noordelijke bisdommen Utrecht en Haarlem.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft men in het klooster, vanaf oktober 1914, meer dan 300 Belgische vluchtelingen opgenomen. In de beginjaren mocht er in de kerk niet gedoopt, getrouwd en begraven worden. In 1924 ging een commissie van leken op audintie bij Mgr. Hopmans van Breda om hiervoor toestemming te vragen. Deze bisschop stond hier welwillend tegenover, maar moest toestemming vragen aan de bisschop van Den Bosch, Mgr. Diepen. Helaas wees deze het verzoek af. Eind 1928 begonnen enkele leden opnieuw een aktie om de kerk tot rectoraat te verheffen. Hierop stond Mgr. Diepen alleen de toediening van het doopsel toe.
 
Het seminarie
 
Na de oprichting van de Nederlandse Provincie der Minderbroeders Kapucijnen in 1882, was een van de eerste daden van het hoofd van de Orde, pater Bernardus van Andermatt, voor te schrijven dat overal Serafijnse Seminaries zouden worden opgericht.
Men begon in Langweg in 1887, waar op 3 augustus van dat jaar voor het eerst Latijn werd gegeven door pater Liberatus van Exel. Slikgat was voordien al een studieklooster voor filosofie, maar nu begaven de kapucijnen zich op, een voor hen, nieuwe onderwijsvorm namelijk de humaniora.
Er was een zo?n grote toestroom van leerlingen dat men in augustus 1889 besloot de leerlingen in het klooster te laten inwonen. Het internaat telde bij de opening 14 leerlingen. Pater Cyprianus was de directeur en hij had nog drie patersleraren naast zich. Als gevolg van de grote aanvraag voor het nieuwe schooljaar, was uitbreiding noodzakelijk. Aan het klooster werd een vleugel bijgebouwd voor de slaapzaal, refter en speelzaal.
Het nieuwe schooljaar begon met 33 studenten, al gauw kon uitbreiding niet uitblijven en in de zomer van 1908 begon men met een algehele omvorming, die in oktober 1909 klaar was. Hierdoor kwam het seminarie min of meer apart te staan. Het kreeg tevens een eigen kapel, zodat de studenten niet langer de diensten in de paterskerk bijwoonden. Om verschillende redenen wilde school- en kloosterbestuur de naam van het kerkdorp laten veranderen. De weg van Zevenbergen naar de grote verkeersroute Moerdijk-Breda heette in de 17e eeuw al Langweg en zo heette ook het spoorwegstation. In 1910 werd de naam Slikgat veranderd in Langeweg.
De Eerste Wereldoorlog is de school, ondanks een enigszins gebrekkige voedselvoorziening, goed te boven gekomen. Na de oorlog werd uitbreiding zelfs weer een eis. Door de steeds toenemende werkzaamheden op parochies, retraitehuizen, missies en de vestigingen in Velseroord (het latere IJmuiden-Oost) en Amsterdam in de Jordaan raakten de Kapucijnen steeds meer bekend en het seminarie kreeg een goede naam.
Het konvent kreeg een nieuwe en brede voorvleugel. Aan het seminarie kwam een lengtevleugel, die een ruime studiezaal en twee klassen bevatten, daarboven een grote kapel. Op 2 mei 1917 werd de kapel ingezegend door pater Anastasius van Houten die als provinciaal ook de eerste kapel had ingezegend.
       
Tweede Wereldoorlog
 
Op 1 april 1943 vorderde de Duitsers het seminarie van de kapucijnen. Na de invasie van 6 juni 1944 werden de studenten naar huis gestuurd voor hun eigen veiligheid en in verband met het eventueel stilleggen van de treinen. In het begin van september keerden zij terug.
De kerk was voor 70% verwoest, klooster en seminarie waren grotendeels verwoest en waren onbewoonbaar geworden. De studenten van het seminarie werden gevacueerd naar Breda. Zeven paters en vijf broeders bleven achter in Langeweg, waar zij een onderkomen vonden in een lokaal van het klooster dat nog enigszins dicht was. Daar de rest van het huis openlag, werd de inboedel van het seminarie weggevoerd. Met boerenwagens werd alles naar Wagenberg en Terheijden gebracht en in schuren en zolders opgeslagen. Dit luidde tevens, al wist men dat toen nog niet, het einde in van het klein-seminarie van Langeweg.
       
Tegen het einde van november vertrokken de zusters naar het moederhuis in Veghel. Hun huis kon weer met planken en glas bewoonbaar worden gemaakt en daar nam de kommuniteit van de kapucijnen dan ook voorlopig hun intrek. In 1945 kon door gebrek aan materiaal niet direct een nieuwe kloosterkerk worden gebouwd. Als noodkerk werd de zgn. blokhut gebruikt, die voor die gelegenheid werd vergroot en verfraaid. Het klooster werd begin 1945 gesloopt, alleen de voorgevel bleef behouden. De logeerkamers werden omgebouwd tot cellen. De Herenspreekkamer werd refter en de oude broederklas werd keuken. Op 28 april konden de kapucijnen het klooster weer betrekken. Van het seminarie werd de kapel en de klas daaraan grenzend gesloopt. De rest kon blijven staan. De kerk werd voorlopig dichtgemetseld en dichtgeplankt.
Seminarie
Het klein-seminarie werd na veel provisorische onderkomens tijdelijk in Tilburg gevestigd. In de loop van 1945 kwam het terecht op ?Huizen Beresteyn? te Voorschoten, welke stichting in het begin als een dependance van Langeweg werd beschouwd. De reden daarvoor was te vinden in het feit dat het bestuur van de provincie der kapucijnen nog niet besloten had waar het seminarie zou worden hersteld. Het studiehuis in Voorschoten werd echter spoedig onafhankelijk en al spoedig werd duidelijk dat het seminarie niet meer naar Langeweg zou terugkeren. Uiteindelijk werd het gevestigd in Oosterhout, waar het nieuw-gebouwde kollege in september 1954 in gebruik werd genomen en op 6 juli 1955 officieel werd geopend.
Kerk
 In mei 1946 werd een begin gemaakt met de sloop van de kerk.  In 1948 nam het bestuur van de kapucijnen het besluit dat de kerk herbouwd zou worden. Architekt Schellekens uit Dongen kreeg de opdracht een voorlopig plan te maken. Hij nam de fundamenten op en de nog eventueel bruikbare materialen. Het merendeel van de kosten kon bestreden worden uit de uitkeringen van de oorlogsschade. De bevolking zetten zich in om door verschillende activiteiten geld in te verzamelen. In september 1949 werd aan de architekt de definitieve opdracht gegeven. In 1950 werden nog gewenste veranderingen in het plan doorgevoerd en was het wachten op de rijksgoedkeuring. Eindelijk kon op 6 januari 1951 de aanbesteding plaatsvinden. Op 26 februari 1951 werd begonnen met de bouw van de nieuwe kerk. Op de laatste zondag van de Advent werd de kerk ingezegend door de provinciaal Clementinus van Vlissingen.
Op 18 juni 1956 is de kerk gekonsakreerd door mgr. Mathias Brans, missie-bisschop van de orde. In de altaarsteen zijn relieken ingemetseld van de HH. martelaren Amandus en Clementianus. De burgemeester van Zevenbergen bood een gift aan van 1000,- voor  de verfraaiing van de kerk. Dit geld is besteed aan de muurschilderingen, in 1957 gemaakt door Rien van den Brink uit Eersel.
In 1957 zorgden mgr. Baeten van Breda voor een verrassing toen hij de paters liet weten dat hij het Vormsel in hun kerk wilde toedienen. Zo geschiedde op 26 juni. Hoewel dit voor de bisschop bedoeld was als een eenmalige gebeurtenis, laaide onder de bevolking de discussie weer op om te komen tot een eigen parochie of minstens een rektoraat. De situatie was intussen wel eenvoudiger komen te liggen. Er had intussen een herziening plaatsgevonden van de grenzen van de bisdommen en daardoor behoorde Zevenbergen en Zevenbergse Hoek nu tot het bisdom Breda. Hierdoor werd men niet langer gekonfronteerd met een zaak tussen twee bisdommen. Men nam aan dat mgr. Baeten voorstander was van verheffing tot parochie, de drie buurtpastoors echter gingen akkoord met de oprichting van een rektoraat. De provinciaal, een van de definitoren en de gardiaan van Langeweg drongen bij de mgr. aan op een beslissing. Door een afgevaardigde van het bisdom en pater Laetantius werd een memorie opgesteld over de kerkrechtelijke en praktische gevolgen van een afscheiding. De mgr. vond hun voorstel echter vrij ingewikkeld en helde toen meer over naar de stichting van een rektoraat.
De gardiaan, pater Cyrillus van Willemstad, werd het wachten echter moe en nam zelf contact op met de drie pastoors. Deze verklaarden zich unaniem en zonder reserve akkoord met een rektoraat. Als gevolg hiervan kwam de bisschop tot een snelle beslissing en in september 1959 kwam het bericht dat het bisdom de zaak in behandeling had. De provinciaal ging er mee akkoord dat een deel van de voormalige kloostertuin als kerkhof werd ingericht. De bevolking bracht 3000,- bijeen voor het kerkhofkruis. In oktober kwam het voorstel tot grensscheiding gereed. Zwartenberg kwam aan de parochie Zevenbergen en Langeweg zou tot aan Pootweg-oost reiken.
Op 1 december 1959 kwam dan het officile schrijven dat het rektoraat per 1 januari 1960 was opgericht.
Klooster
Op 3 juli 1950 begon men met de sloop van de bovenste verdieping van het klooster. Vanaf november werd de nieuwe verdieping in gebruik genomen en bewoond. Daarna werd de eerste verdieping hersteld. In december waren de werkzaamheden gereed.
 
Sinds 1959 was het huis der kapucijnen rechtens geen klooster meer met een gardiaan aan het hoofd, maar een zogenaamd ?religieus huis?, waarin nog slechts enkele kloosterlingen woonden met een overste die officieel praeses heette. Pater Cyrillus werd op 14 juli 1966 opgevolgd door pater Norbertus van Wassenaar.
Eind 1968 woonden er in het eens zo dicht bevolkt en bekend kapucijnenklooster nog maar drie broeders. De parochie moest nu voor het klooster en de kerk zorgen, een bijna onmogelijke opgave voor een parochie van plm. 250 gezinnen. Hoewel de parochianen alles deden wat mogelijk was, bleven de financin een moeilijkheid vormen.
In januari 1970 bleven de rektor en een broeder over; zij verlieten het oude kloostergebouw op 1 juli 1972 en namen hun intrek in het nieuwe rektorshuis dat in het zuiden tegen de kerk gebouwd was.
       
Het provinciaal kapittel besloot het klooster in Langeweg in de verkoop te doen.
In het voorjaar van 1971 (13 april) vestigde de Emmaus-communauteit zich in een deel van het voormalige kapucijnenklooster onder leiding van de kapucijn Amandus Kerstens. Na het vertrek van de rektor en de broeder ging de communauteit het gehele klooster bewonen.
 
 Klooster en Kerk 1876
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Opties